donderdag 16 maart 2023

Aquarium


 ‘s Avonds aten ze in het hotel, waar de elektrische kroonluchters golven van licht in de grote eetzaal verspreidden zodat deze een reusachtig en wondermooi aquarium werd, tegen welks glazen wanden de arbeidersbevolking van Balbec, de vissers en ook de kleine burgerhuisgezinnen, onzichtbaar in het donker, hun neuzen platdrukten, om te kijken naar het langzaam in gouden golven wiegende luxeleven van deze mensen, dat voor de armen even merkwaardig was als dat van zeldzame vissen of weekdieren (en de grote sociale vraag is of de glazen wand altijd het feest van de wonderdieren zal beschermen en of de onbekende mensen die begerig in de nacht rondspieden, hen niet op een dag uit het aquarium zullen halen en opeten)


Uit: Op zoek naar de verloren tijd

Marcel Proust

De Bezige Bij Amsterdam

vrijdag 13 januari 2023

Toegeeflijke liefde


Swann was trouwens blind voor alles wat Odette betrof, niet alleen voor de lacunes in haar opvoeding, maar ook voor de middelmatigheid van haar intelligentie. Sterker nog, telkens wanneer Odette een dom verhaal vertelde, luisterde Swann naar zijn vrouw met een toegeeflijkheid, een vrolijkheid, een bewondering bijna waarin vermoedelijk nog een restje erotiek meespeelde; terwijl alles wat hij zelf in datzelfde gesprek aan scherpzinnigheid, diepzinnigheid kan men wel zeggen, naar voren bracht, door Odette gewoonlijk zonder interesse, vluchtig en met ongeduld aangehoord en vaak genoeg ook nog hard tegengesproken werd.

Men moet wel tot de conclusie komen dat een dergelijke onderwerping van de elite aan de banaliteit in veel huwelijken regel is, wanneer men bedenkt, hoe omgekeerd, veel superieure vrouwen zich laten verblinden door een lomperik, die hun meest fijnzinnige opmerkingen onverbiddelijk de grond inboort terwijl zij, met de oneindige toegeeflijkheid van de liefde, niet kunnen nalaten in vervoering te raken over zijn flauwe moppen.


Uit: A la recherche du temps perdu

Marcel Proust

(Vertaling C.N. Leysen)


De Bezige Bij

woensdag 19 oktober 2022

Nylonkous

 

 

Als je deze herinnering tientallen jaren later na dit moment aan Yvonne zou vertellen, zou zij zich de gebeurtenissen ook herinneren? En zou haar de gang van zaken dan ook nog precies zo voor de geest staan als jij beweert dat jou de zaken voor de geest zijn blijven staan? Gemeenschappelijke, tot in details gelijkluidende herinneringen, zouden die bestaan?

Zou Yvonne na al die jaren nog weten dat haar ene nylonkous was afgezakt?

Toen ze van jou af was gekropen en weer wilde gaan staan, bleek je bezeerde voet, die nog een beetje bloedde, samen met haar voet in de boord van haar afgestroopte kous te zitten en had de rest van de kous zich op een gecompliceerde manier om haar en jou been gewikkeld. De worsteling om bevrijding die toen ontstond, waarbij werd gestompt en geduwd, het rode zweet droop in stralen van Yvonnes gezicht. Jouw krankzinnige angst, dat je eeuwigdurend aan haar vast zou blijven zitten, jouw been vergroeiend met het hare, jullie beiden in het vervolg rondstrompelend op een eigen en gedeelde voet.

Laatste beeld: Yvonne voor haar schaduw uit wegrennend met haar schoenen in haar hand, zonder nog een blik op jou te slaan of een woord tegen je te zeggen.

Hierna heb je haar nooit meer in levende lijve gezien, haar levend lijf ging tot je fantasie behoren. Aan haar ene voet sleept zij de nylonkous als een slangenhuid achter zich aan over een met kisten vol schelpen en goudschatten vol staande, horizontloze vlakte. Zij verdwijnt tegen het zonlicht in, als in een spiegel.

Jij steekt je hand in je broekspijp om te voelen of je pikje er nog is, of het nog stevig aan je vastzit en of het echt zo bespottelijk nietig is als Yvonne heeft gezegd.


Uit: De Zondvloed

Jeroen Brouwers

Atlas contact Amsterdam Antwerpen

 

woensdag 2 februari 2022

Joodse voorvader.

 Altijd als hij gestorven was, kwam hij terug.

Hij hoorde bij de familie.

Hij hoorde bij alle families.

Aan de oever van het meer zat hij op alle banken, hij staarde met wijd opengesperde ogen in de zon, dagenlang, en toch bleef zijn huid bleek, alsof hij nooit uit de schaduw van zijn schuilplaats was gekomen. Hij liep achter alle kinderwagens aan, boog telkens diep om erin te kijken en was elke keer teleurgesteld. Hij bedelde om brood aan alle deuren, alleen om het dan hard te laten worden en dan te zeggen : “ze hebben de tanden uit mijn mond geslagen.” Waar iemand hard lachte stond hij in de kamer en legde hij een vinger op de lippen, een knokige vinger waarmee hij ook op de tafel kon trommelen zodat het klonk als het gerichte salvo van een vuurpeloton. Uit alle stambomen plukte hij willekeurig namen, bewaarde ze in grote manden, onrijpe vruchten waarvan hij sterkedrank wist te brouwen die niemand kon drinken zonder dat zijn ogen begonnen te tranen. In alle bibliotheken maakte hij aantekeningen in de marge van de boeken. Hij schreef met rode inkt, doopte de ouderwetse pennenschacht in zijn eigen aderen en werd bleker en bleker. Als twee mensen elkaar kusten stond hij achter hen, als ze de liefde bedreven ging hij erbij liggen en fluisterde hij hun tedere woorden in het oor die niet van hen waren, hij wist altijd nog een verhaal voor het jonge paar, en nog een, en nog een, en in geen van die verhalen leefden zij lang en gelukkig. Hij gaf de kinderen namen en wist steeds duizend andere kinderen te noemen die net zo hadden geheten en wie het ook slecht was vergaan. Hij krabbelde de stopverf uit de ramen zodat dec ruiten los gingen te zitten en de wind door de kamer floot. De stopverf at hij op, hij stak het begerig in zijn mond en kauwde erop zonder tanden. In zijn zak had hij een grof gesneden fluit, haalde die tevoorschijn, speelde,eindeloos treurige melodieën en eiste dat ze allemaal mee neurieden. Hij vertelde over verre landen waar het koud was geweest, o zo koud. Hij ging achter de mensen staan en sloeg zijn knokige armen om hen heen om te laten zien hoe men zich daar vergeefs had proberen te warmen. Hij zat aan alle tafels, zijn bord bleef leeg, hoeveel men hem ook opschepte. Hij stak zijn vork door zijn eigen hand, en in zijn lepel kerfde hij krassen, elke dag een nieuwe. Vanuit alle spiegels glimlachte hij, bleek en geduldig, hij liet zijn gezicht als onuitwisbare verf in dat van de toeschouwer sijpelen, stak hem aan met zijn ongeneeslijke ziekte en werd een onafscheidelijk deel van hem. Algauw wist niemand meer wie hij zelf was en wie die ander. 

Altijd als hij gestorven was, kwam hij weer terug.


Uit: Het lot van de familie MEIJER

Charles LEWINSKY


Uitgeverij Signatuur Utrecht

woensdag 17 november 2021

Klein meisje

 


Vlak onder haar linkerborst heeft ze een moedervlek (of een wrat, ik ben geen dermatoloog). Als je haar daar aanraakt, de plek kust of er met je tong aan likt, voelt ze het niet, denk ik.

Haar borsten zijn groter dan die van Hélène. Minder stevig. En ze hebben ook een heel andere vorm. Appels en peren.

Als ze geen kleren aanheeft zie je dat ze helemaal niet zo slank is als ze altijd leek. Als ze op haar rug ligt, is er een heuveltje met in het midden de navel. Toen ik er met mijn tong in ging lachte ze. “ Hoe wist je dat dit mijn gevoeligste plekje is”, vroeg ze.

Een vrouw voor het eerst naakt zien, dat is net als je voor het eerst een boek openslaat. Als het je aanstaat, lees je veel te haastig, wil je per se weten hoe het verder gaat. En dan ben je veel te vlug bij het laatste hoofdstuk. Ik zou Maja nog een keer willen lezen, heel langzaam, van de eerste tot de laatste bladzijde. En dan nog eens en nog eens en nog eens.

Ze gebruikt geen parfum. Niets wat me is opgevallen. Er is alleen de geur van haar lichaam. Het haar onder haar oksels laat ze staan.

Verder is ze geschoren, wat ik eigenlijk wel wist, want ze heeft een tijdje geprobeerd Hélène ook zo ver te krijgen, maar het verraste me toch. Het ziet er op een vreemde manier kinderlijk uit, maar ook op een vreemde manier eerlijk. Alsof ze op een bepaald moment besloten heeft dat ze niets te verbergen heeft.

Haar benen zijn niet helemaal recht. Als ze ze strekt zit er tussen haar benen een holte en dat heeft - ik weet niet hoe ik op dat woord kom, maar het voelt goed-, dat heeft iets aandoenlijks.

Ik ben blij dat ze geen volmaakte schoonheid is, dat had me misschien afgeschrikt. (Waarom eigenlijk? )

Op het hoogtepunt was haar stem heel hoog, als die van een klein meisje. “ja, ja, ja,” zei ze. Ik vind onze stemmen bij elkaar passen.

Wij passen bij elkaar.


Uit: ANDERSEN

Charles Lewinsky

Uitgeverij Atlas contact Antwerpen/ Amsterdam


donderdag 11 november 2021

Trouwfoto



 Van mijn ouders bestond één enkele bruidsfoto. Hij stond op het dressoir in een schildpadlijst waar een hoekje van af was, en ik kan hem nog tot in detail beschrijven. Zoals je een tekst die je duizend keer hebt gelezen tenslotte uit het hoofd kunt opzeggen.

  De foto is slecht belicht. De ene helft van mijn vaders gezicht is donker. Ze konden zich zeker geen betere fotograaf veroorloven of in het boerengat waar ze woonden was geen betere.

  Mijn vader staat kaarsrecht met zijn armen tegen het lichaam, zoals in het leger. Alleen de voeten niet parallel, Een staat er in een hoek, zoals bij een balletdanser in de tweede rij die nog steeds op zijn beurt wacht, terwijl de anderen al hun solo dansen. Hij heeft iets lichts in zijn handen dat niet goed te herkennen is. Misschien een zakdoek. Ik heb hem gevraagd wat het was maar hij wist het niet meer.

  Op de foto is hij dunner dan ik hem later heb gekend. Zijn snor minder ruig. Een bloemtakje op zijn revers. Mijn moeder heeft een boeket in haar hand.

  Thuis hadden we zelden bloemen.

  Ze zit naast hem in een witte jurk. De sluier zit vast aan een soort kroontje. Toen ik klein was vertelde ze me altijd dat ze eigenlijk een prinses was. Maar het kroontje was maar geleend. In haar dorp gaf de ene bruid het door aan de volgende.

  Haar linkerhand verdwijnt achter papa’s rug. Ik denk niet dat ze hem vasthoudt, dat was niets voor hen. Vermoedelijk had ze haar hand op een tafel gelegd. Op de rechterkant van de foto is het andere uiteinde daarvan nog te zien. De fotograaf zal haar zo hebben laten poseren.

  Ze kijkt niet naar hem.  

 Op de achtergrond een in plooien afhangend gordijn met een bloemenornament. Een slecht geschilderde decoratie.

  Mijn moeder en mijn vader zien er op de foto niet gelukkig uit. Misschien kwam dat doordat je toen voor een foto zo lang stil moest zitten.

  Misschien ook niet.


Uit: ANDERSEN

Charles Lewinsky

Atlas contact Amsterdam/ Antwerpen


vrijdag 29 oktober 2021

Mijn moeder

 

Ze is allang begraven.

Niet dat ik mijn moeder boven alles liefhad. Dat is alleen in boeken zo. Romans, geschreven door mensen die de werkelijkheid niet kunnen verdragen. Met liefde had dit niets te maken. We waren aan elkaar gewend.

Ze was geen belangrijke persoonlijkheid. Een zwakke vrouw. Ze deed angstvallig haar best om niets verkeerd te doen, een angst die haar vaak buitensporig streng maakte. Niet dat ik ondergaan heb geleden, zo vertrouwelijk zijn we nooit geworden, maar er was altijd een wanklank die me stoorde. Ik was toen al gevoelig voor valse tonen.

Een massaproduct. Zoals de meeste mensen.

Qua uiterlijk niet knap en niet lelijk. Niets opvallends. Een klein litteken op haar voorhoofd, een overblijfsel van een oude snijwond. Over de oorzaak heeft ze mij in de loop der jaren steeds weer nieuwe verhalen verteld. Toen ik klein was en nog in sprookjes geloofde, verzon ze een heks die haar daar met een toverstok had aangeraakt. Later, toen ik de leeftijd had bereikt waarop je warm loopt voor avonturen, zou het een leeuw geweest zijn, waarmee ze in de jungle had gevochten en die ze natuurlijk had verslagen. Hoe ouder ik werd, hoe prozaïscher de verklaringen. Uiteindelijk was ze gevallen bij het schaatsen.

Ook dat geloofde ik niet. Iemand zal haar hebben geslagen. Waarschijnlijk mijn vader. Hij was zo’n tiran zonder talent.

Mijn moeder had een eigen geur, van de altijd eendere zeep die ze haar hele leven gebruikte. Aan parfum zou ze geen geld hebben uitgegeven. Misschien was het zuinigheid dat ze juist die zeep kocht. Omdat ze voor de laagste prijs de sterkste geur leverde.

Een conservatieve vrouw, die bang was voor elke verandering. Als ze eenmaal ergens voor had gekozen, bleef ze erbij. Ook toen ze ouder werd en haar haar dun begon te worden, liet ze het nog steeds op dezelfde manier kappen. Tussen de strengen schemerde de hoofdhuid door, wat ik altijd akelig vond. Je begiftigd je niet in onderrok tussen de mensen.

Als ze me in haar armen nam, deed ze dat onhandig. Alsof ze de handleiding daarvoor in een tijdschrift had gelezen en niet had begrepen.

Zo was mijn moeder. Ik hoef geen andere.


Uit: ANDERSEN

Charles LEWINSKY

Atlascontact.nl